| info@drachtsterglashandel.nl
 

De ontwikkeling van glas

Men neemt aan dat glas zo oud is als de aarde zelf. Ofschoon geen duidelijk beeld bestaat over wanneer de mens glas ging gebruiken weet men dat in de periode tot 1500 jaar voor Christus glasparels werden bewerkt tot kralen en kleine ornamenten. Die glasparels waren waarschijnlijk bij toeval ontstaan door verhitting van kwartskorrels in het zand.

Kort voor onze jaartelling kon men reeds doorzichtig glas maken. In die tijd werd in Syrië de blaaspijp uitgevonden waarmee het mogelijk werd vlakglas te produceren. Met de blaaspijp werd een cilinderachtige vorm geblazen die in de lengte werd open gesneden en -na weer verhit te zijn- op een vuurvaste plaat werd uitgerold. Het op deze manier vervaardigd vlakglas had een ruwe en onregelmatige oppervlakte. Bovendien konden slechts ruitjes van geringe afmetingen worden gemaakt. Het procédé van het blazen van cilinders werd pas in het begin van deze eeuw vervangen door een methode waarbij vloeibaar glas werd "getrokken" tot vlakglas. De Belg Emile Fourcault, naar wie de methode werd genoemd, deed baanbrekend werk in de verdere mechanisatie. Bij de Fourcault methode werd een soort balk van vuurvaste steen- die in het midden was voorzien van een spleet- in de vloeibare glasmassa gedompeld. Vervolgens liet men in de spleet een ijzeren staaf zakken, de zgn. débiteuse, waaraan het vloeibare glas zich vasthechtte. Bij het omhoogtrekken van de staaf ontstond een eindeloze glasband die in een verticaal staande koelschacht, tussen asbest beklede rollen zijn vaste vorm verkreeg. Het aldus verkregen glas toonde echter duidelijk zichtbare trekgolven, veroorzaakt door de trekspanning.

Vanaf de zestiger jaren wordt glas overwegend volgens het zogenaamde "float-procédé" geproduceerd. Hiermee wordt glas geproduceerd met buitengewoon goede optische eigenschappen. Floatglas wordt als basis gebruikt voor de vele soorten glaseenheden die momenteel beschikbaar zijn.

Glas wordt in hoofdzaak gebruikt als ruit om doorheen te kijken. Daarnaast worden glaseenheden meer en meer gebruikt voor bescherming en beveiliging. Zo wordt glas effectief ingezet als isolatie-eenheid tegen koude en warmte, voor bestrijding van geluidshinder, voor beveiliging tegen inbraak en agressie en voor bescherming tegen brand, explosies en X-stralen. 


Terminologie

U-waarde in W/m²K

De U waarde houdt in het energieverlies per m² en één graad Kelvin uitgedrukt in Watt. Des te kleiner de U-waarde, des te beter de energie-isolatie van de glaseenheid. De breedte en vulling van de spouw alsook de uitstralingswaarden van de glaszijden bepalen de uiteindelijke U-waarde.

Licht Toetreding Absoluut (LTA)

De Licht Toetreding Absoluut drukt het direct doorgelaten stralingsdeel uit binnen het bereik van 380 tot 780 Nm (zijnde het zichtbare bereik met betrekking tot de lichtgevoeligheid van het menselijk oog). De LTA wordt uitgedrukt in procenten (%) in verhouding tot een open raam (LTA=100%) De LTA kan worden beïnvloed door de glasdikte, -kleur en door eventuele toevoeging van coatings of screens op het glas.

 Zon-Toetreding Absoluut (ZTA)

De Zon Toetreding Absoluut drukt de totale energie uit die in de golflengte tussen 33 en 2500 Nm door de glaseenheid wordt doorgelaten en afgestaan. De ZTA wordt uitgedrukt in procenten (%) in verhouding tot een open raam (ZTA=100%). De ZTA wordt opgebouwd uit rechtstreekse energiedoorlaat (4) alsook secundaire energieafgifte (3) naar binnen als gevolg van opwarming van de eenheid.

Geluidwering R(a)

R(a) uitgedrukt in dB(a) is de geluidweerstand tussen de zendbron en de ontvanger, waarbij echter ook rekening gehouden is met de gevoeligheid van het menselijk oor. Een vuistregel is dat elke 10dB(a) die men weert, het oor waarneemt als halvering van het geluid. Neemt men een beglazing met een R(a)= 30dB(a), dan resteert van de oorspronkelijke zendbron slechts 12,5%.

Interferentie

Interferentie is een natuurkundig verschijnsel, waarbij onder bepaalde hoeken petroleum-achtige vlekken, banden of patronen zichtbaar kunnen worden. Door prismawerking breken de vier oppervlakten van het isolerend dubbelglas het daglicht uiteen in de bekende kleuren van de regenboog. Dit kleurige verschijnsel heeft niks te maken met glasfouten, of een vettige aanslag. De kans op interferentie is gering, indien gekozen wordt voor isolerende eenheden die zijn samengesteld uit ruiten met elk een andere dikte.

Anistropieën bij isolatieglas met een enkele ruit gehard glas

Gehard glas vertoont anistroop gedrag als gevolg van de interne spanningsverdeling. Anistropie wil zeggen dat het materiaal niet in alle richtingen gelijke fysische eigenschappen vertoont. Als gevolg van het anistrope gedrag kunnen donkergekleurde kringen of strepen zichtbaar worden. Dit effect is geen reden tot reclamatie. 

Het isolatie-effect

Dubbele beglazingseenheden worden hermetisch gesloten onder de- op dat moment- heersende weersomstandigheden. (hoog/laag drukgebied). Hierna zijn de eenheden onderhevig aan allerlei wisselende omstandigheden als barometrische druk en temperatuur. In verband hiermee en ten gevolge van de fabriektolerantie op de spouwbreedte, kan een geringe variatie in de afstand tussen beide ruiten optreden en de ruiten meer of minder doorbuigen. Deze doorbuiging kan hol (concaaf) of bol (convect) zijn.

Dubbele reflectie

Daar elke zijde van elke ruit afzonderlijk een reflectiebeeld vertoont is een dubbel (of meervoudig) beeld steeds aanwezig.

Condensvorming

De U-waarde van een beglazing heeft invloed op de oppervlaktetemperatuur van het isolatieglas aan de binnenzijde en zodoende op de behaaglijkheid en een mogelijke vochtcondensatie (afhankelijk van het temperatuurverschil tussen binnenruimte en buitenruimte). Normale lucht bevat altijd een fractie waterdamp. Wanneer de lucht afkoelt, stijgt de relatieve vochtigheid, de absolute hoeveelheid water blijft gelijk. De hoeveelheid waterdamp, die door de lucht kan worden opgenomen, is echte beperkt. Indien deze wordt overschreden, wordt water afgescheiden (condensatie). Dit gebeurt op grensvlakken, waarvan de temperatuur lager is dan de luchttemperatuur van de ruimte, bijvoorbeeld aan een raam met slecht isolerende eigenschappen. Dit proces is echter ook afhankelijk van de luchtbeweging en de luchtgeleiding.

Condensatie op uitwendige vlakken van de ruit

Bij isolatieglas met goede warmte-isolatie kan op het glasoppervlak dat blootstaat aan weersomstandigheden tijdelijk condensvocht worden gevormd, wanneer de relatieve luchtvochtigheid buiten hoog is en de luchttemperatuur hoger is dan de temperatuur van het ruitoppervlak. De U-waarde, de luchtvochtigheid, de luchtstroming en de binnen- en buitentemperatuur bepalen de mate van condensvorming op de uitwendige ruitoppervlakken van isolatieglas.